Print deze pagina
dinsdag, 13 december 2016 08:36

Instemming derde-belanghebbende nodig bij reeds aanhangig rechtstreeks beroep (artikel 7:1a Awb jo 6:19 Awb)?

Geschreven door

Een artikel van Van der Feltz Advocaten.

Inleiding
Deze tussenuitspraak is vooral interessant vanwege enkele procesrechtelijke elementen.

Casus
Vanwege het oprichten van een mestverwerkingsinstallatie die  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zou kunnen veroorzaken hebben gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (GS) op 29 september 2015 beslist dat MACE eerst een milieueffectrapport (MER) moet maken. Dit is een besluit in de zin van artikel 6:3 Awb. 

In haar bezwaarschrift heeft MACE verzocht om rechtstreeks beroep bij de Afdeling in te kunnen stellen krachtens art. 7:1a Awb, waarmee GS vervolgens  hebben ingestemd. Volgens MACE is mest geen afvalstof, maar een bijproduct, en valt de mestverwerkingsinstallatie daarom niet onder categorie 18.1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer).

Bij besluit van 22 maart 2016 heeft het college het eerdere besluit van 29 september 2015 ingetrokken en opnieuw beslist dat MACE een milieueffectrapport moet maken. 

Appellant sub 2 heeft bezwaar gemaakt tegen het laatste besluit van 22 maart 2016. Dit bezwaarschrift is door GS doorgezonden aan de Afdeling ter behandeling als beroepschrift.

Juridisch kader
Ingevolge artikel 6:3 van de Awb is een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.

In het bezwaarschrift kan de indiener op grond van artikel 7:1a Awb het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, zulks in afwijking van artikel 7:1. Ingevolge het tweede lid wijst het bestuursorgaan het verzoek in ieder geval af, indien tegen het besluit een ander bezwaarschrift is ingediend waarin eenzelfde verzoek ontbreekt, tenzij dat andere bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Ingevolge het vierde lid zendt een ander orgaan, indien het een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door.

Ingevolge artikel 8:26 Awb kan de bestuursrechter tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen. 

Uitspraak
Procesrechtelijk
De Afdeling overweegt dat er ten tijde van het besluit van 29 september 2015 geen andere bezwaren dan die van MACE waren, zodat art. 7:1a lid 2 Awb niet in de weg stond aan rechtstreeks beroep. Dat was hier het geval.

Toen het college het besluit van 22 maart 2016 nam, werd dat besluit ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede onderwerp van de door MACE bij de Afdeling aanhangig gemaakte beroepsprocedure. Dit betekent dat het college ingevolge artikel 6:19, vierde lid, verplicht was tot doorzending aan de Afdeling van het bezwaarschrift van appellant sub 2 tegen het besluit van 22 maart 2016. Dat appellant sub 2 niet heeft ingestemd met doorzending van dat bezwaarschrift doet hierbij niet ter zake. 

MACE stelt zich op het standpunt dat het beroep van appellant sub 2, gelet op art. 6:3 Awb,  niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. De Afdeling gaat daarin mee en overweegt dat alleen MACE, nu aan haar de verplichting is opgelegd tot het maken van een milieueffectrapport, los van het besluit over de omgevingsvergunning, rechtstreeks in haar belang wordt geraakt door het voorbereidingsbesluit. Het beroepschrift van appellant sub 2 wordt in verband daarmee niet-ontvankelijk verklaard.

Het verzoek van appellant sub 2 en een andere belanghebbende om zich als partij te voegen op de voet van artikel 8:26 van de Awb wordt wel door de Afdeling gehonoreerd. De Afdeling stelt dat zij belanghebbenden zijn bij het te nemen besluit over de omgevingsvergunning en daarmee ook bij de voorbereidingsbesluiten van 29 september 2015 en 22 maart 2016, omdat niet kan worden uitgesloten dat bij hun woningen milieugevolgen van enige betekenis ondervonden kunnen worden. Aldus ziet appellant sub 2 zijn belangen - ondanks de niet-ontvankelijkheid van zijn beroep - toch meegenomen worden. Voor het als partij deelnemen aan een geding is overigens geen griffierecht verschuldigd.

Materieel
Omdat de mest naar het oordeel van de Afdeling in casu moet worden aangemerkt als afvalstof, is de mestverwerkingsinstallatie een installatie die is aangewezen in categorie D18.1 van de bijlage bij het Besluit mer. Daarom geldt voor de mestverwerkingsinstallatie een m.e.r.-beoordelingsplicht. 

Naar het oordeel van de Afdeling hebben GS evenwel onvoldoende gemotiveerd waarom sprake is van dusdanig belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu dat een MER  moet worden opgesteld. Voor zover het college bij zijn beslissing dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt mede van belang heeft geacht dat de plannen voor de mestverwerkingsinstallatie tot maatschappelijke onrust leiden, overweegt de Afdeling dat dit geen aspect is waarmee rekening kan worden gehouden bij de beoordeling of al dan niet een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Alleen mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen aanleiding zijn om een milieueffectrapport te eisen, aldus de Afdeling.

De Afdeling past de bestuurlijke lus toe en draagt GS op dit gebrek te herstellen. 

Voor de volledige uitspraak klik hier.